EINDTERMEN NATUURLIJKE EN ADDITIEVE BEHANDELWIJZEN

'Natuurlijke'

De vlag 'Natuurlijke' behandelwijzen dekt intrinsiek de kwaliteit van deze behandelwijzen: met natuurlijke middelen en met respect voor en met gebruikmaking van c.q. ondersteuning van de natuurlijke processen in organismen.

Feitelijk is de term 'natuurlijke' of 'additieve' van toepassing op de verschillende therapeutische methoden die deel uitmaken van de totale holistische benadering. 'Holistische' verwijst niet naar een methode; eerder naar een benadering van de mens als een samenhang van lichaam, geest en ziel. Hierbij is plaats voor vele diagnostische en therapeutische methodes van uiteenlopende aard, met inbegrip van de Westerse geneeskunde. De holistische geneeskunde kan in feite alleen 'holistisch' worden genoemd indien zij ook de traditionele benaderingen insluit.

De term "additieve" behandelwijzen geeft aan dat deze een aanvulling vormen op de Westerse reguliere behandelwijzen.

Sommigen vertegenwoordigen de stemmen van beide paradigma's. Zij zijn er heilig van overtuigd dat het nooit de bedoeling mag zijn beide modellen van gezondheidszorg met elkaar te laten wedijveren, maar dat moet worden gestreefd naar integratie, zodanig dat ze elkaar aanvullen. De kennis, ervaring en technologieën van zowel de Westerse als de holistische benadering zijn waardevol, geldig, concreet en werkzaam.

Overdrachtelijk gesproken vertegenwoordigt de Westerse geneeskunde het 'verstand' van de gezondheidszorg, terwijl de holistische benadering het 'hart' belichaamt. Naar de mening van de samenstellers van deze eindtermen kan uit de versmelting van beide benaderingen uiteindelijk een derde, beter geïntegreerd systeem van gezondheidszorg voortkomen dat recht doet aan het volledige spectrum van het wezen dat de mens is. Wij zijn immers zowel wezens met een mentaal, emotioneel, psychologisch, spiritueel als met een fysiek aspect.

Lichaam en geest

Lichaam en geest vormen een eenheid. Niettemin zien we bij de natuurlijke behandelwijzen een accentuering, waarbij of de fysieke aandoeningen meer aandacht krijgen, of de emotionele, psychische en spirituele aandoeningen meer accent krijgen.

Doelstellingen van deze eindtermen

De doelstelling is het preciseren van de mede door beroepsverenigingen en de FONG op tafel gelegde eindtermen met betrekking tot een minimale basiskennis ten aanzien van een propedeuseprogramma wat iedere therapeut in de natuurlijke gezondheidszorg dient te hebben gevolgd.

Dit ten behoeve van zowel scholing voor nieuwe therapeuten, als nascholing voor zittende therapeuten.

De eindtermen kunnen leiden tot het in leven roepen van een landelijke examencommissie die onafhankelijk van de opleidingsinstituten een landelijk examen organiseert. Deze examencommissie zou ook beslissingen moeten nemen over verzoeken om vrijstellingen op grond van eerder behaalde diploma's.

Het programma voor het behalen van deze eindtermen wordt al bij een aantal academies voor natuurgeneeskunde of in aparte cursussen aangeboden.

De eindtermen hebben voor de beroepsverenigingen en de diverse opleidingen in de natuurlijke genees- en behandelwijzen verschillende functies:

De opleidingen kunnen hun bestaande programma's er aan toetsen. Ze hebben de keuze of ze alle onderdelen (modules) aan willen bieden of een gedeelte; studenten kunnen dan kiezen waar ze wat halen, er van uitgaande dat de deelnemende opleidingsinstituten elkaars aanbod erkennen en het eindtermendocument volgen.

Als partijen consensus weten te bereiken over deze eindtermen, levert het niet alleen richtlijnen op voor de betrokkenen, maar is er ook sprake van een voortrekkersfunctie voor het hele additieve veld van de gezondheidszorg.

De eindtermen zijn opgesteld vanuit het opleidingsmodel van een (deel van de) propedeuse, waarin deze eindtermen de basisvorming zouden kunnen omvatten waar alle therapeuten op HBO-niveau tenminste aan dienen te voldoen. Als de opleidingen geen propedeuse hebben maar de stof integraal in de hele opleiding aan bod laten komen, mag dat geen probleem opleveren. Het maakt niet uit op welk moment in de opleiding de stof wordt aangeboden, als bij de uiteindelijke diplomering iedereen alle modulen maar met een voldoende beoordeling heeft afgesloten.

BaMa-systeem

In 1999 hebben 29 Europese ministers van onderwijs in Bologna afgesproken het bachelor-mastersysteem te gaan invoeren. Dit moet er toe leiden dat opleidingen en diploma’s beter onderling vergelijkbaar worden. Nederland en Vlaanderen zijn in Europa de voortrekkers. Eén van de consequenties van het nieuwe systeem is dat er afgesproken is om het zogenaamde European Credit Transfer System (ICTS) te gaan hanteren.

Eén ECTS-punt staat voor 28 uur studeren. In het huidige systeem staat 40 uur studie voor één studiepunt. Dit betekent dat het totaal aantal punten voor een complete opleiding niet meer bestaat uit 168 studiepunten, maar uit 240 ECTS-punten zonder dat dit gevolgen heeft voor de studiedruk.

Zie ook de wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs. (Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2001-2002, kamerstuk 28 024). Zie ook: www.minocw.nl/onderwijs/ho/ en www.nao-ho.nl.

De niet-erkende, niet aangewezen en niet door de overheid bekostigde opleidingen in de natuurlijke gezondheidszorg zijn praktisch allemaal deeltijdopleidingen en dienen dus hun studiebelasting aan te passen.

De FONG stelt 650 studiebelastinguur als een absolute ondergrens voor het aantal contacturen.

Studiebelasting

Het gehele onderwijsaanbod van opleidingen op HBO-niveau dient te worden gewaardeerd in het nieuwe stelsel van het European Credit Transfer System. In dit systeem is één jaar studie van 1680 uur gelijk aan 60 studiepunten (European Credits). Eén studiepunt komt overeen met een studiebelasting van 28 uur (incl. contacturen). Daarmee wordt het propedeutisch jaar 60 studiepunten en de hoofdfase (de volgende drie jaar) 180 studiepunten. De studielast van alle modules (studieonderdelen) wordt dan uitgedrukt in European Credits (EC).

Aan elke opleiding is een examen verbonden en aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden (WHW artikel 7.3)

De 28 studiebelastingsuren worden veelal onderverdeeld in:

  1. Contacturen ca. 8 uur = 30 % (in het bijzijn van een docent)
  2. Randuren ca. 3 to 6 uur = 10 tot 20 % (practicum, lezingen, workshops, toetsing)
  3. Zelfstudie-uren ca. 14 tot 17 uur = 50 tot 60%.
Het basis onderwijsprogramma voor de natuurlijke behandelwijzen

De meeste beroepsopleidingen in de Natuurlijke Behandelwijzen schenken vooral in de eerste jaren van de opleiding veel aandacht en tijd aan de persoonsvorming of wel de eigen ontwikkeling van de student of therapeut. Doel is vooral een bewuste verkenning van algemene, menselijke en eigen persoonlijke waarden en het inrichten van je leven rondom de waarden die zelf gekozen, van-zelf-sprekend en heelmakend zijn. (kennen van de eigen grenzen!). Veel opleidingen stellen terecht dat jezelf onder behandeling moet zijn geweest moet zijn, wil je praktiseren. Dit vraagt van de opleiding dat er mentoren, coaches en/of studiebegeleiders zijn.

Het onderwijs in de basisvorming van alle opleidingen voor natuurlijke behandelwijzen, kan ook worden georganiseerd in modulen. Uitgebreide info hierover onder de link : basisvorming hier vindt u ook de modulen.

Mate van detaillering

Bij de keuze voor de mate van detaillering van eindtermen, is er sprake van verschillende belangen. Het belang van de legitimerende partners is, dat hoe concreter de eindtermen zijn uitgewerkt, hoe preciezer valt vast te stellen of een student het eindniveau heeft gehaald. Een nadeel van gedetailleerde eindtermen is dat alle ontwikkelingen in de beroepspraktijk in concrete eindtermen moeten worden uitgeschreven en dus frequent gewijzigd moeten worden. Met regelmaat moet dus ook de procedure tot vernieuwing en hergoedkeuring worden gestart. Een ander nadeel van gedetailleerde uitwerking is, dat de vrijheid van inrichting van het onderwijs in het gedrang kan komen.

Taxonomie

Een taxonomie is een van te voren afgesproken systeem om van beroepsactiviteiten eindtermen 'af te leiden'. Door de eindtermen van een codering te voorzien, kan worden nagegaan of er geen eenzijdige nadruk ligt op een bepaald gebied (bijvoorbeeld te veel op cognitief, te weinig op communicatief gebied). De codering biedt daarnaast handvatten voor de uitwerking van de vaardigheden in het leerplan.

In deze eindtermen (maar ook voor verpleging en verzorging) is de taxonomie van Romiszowski (1988) toegepast. Het grote voordeel van deze taxonomie ten opzichte van andere gangbare taxonomieën is, dat er een goed evenwicht is tussen de onderscheiden vaardigheidsdomeinen. Bovendien is een vaardigheidsdomein opgenomen, dat in de meeste andere taxonomieën ontbreekt: dat van de interactieve (communicatieve) vaardigheden. Deze vaardigheden zijn ook met name voor de natuurlijke behandelwijzen essentieel!

De taxonomie volgens Romiszowski onderscheidt vaardigheden en kennis.

Vaardigheden

Op elk van deze vier terreinen kan een onderscheid worden gemaakt in reproductieve en productieve vaardigheden.

Bij reproductieve vaardigheden gaat het om routines en beroepsactiviteiten die zijn gebaseerd op handelingsvoorschriften (standaardprocedures).

Productieve vaardigheden doen een beroep op de creativiteit en het probleemoplossingsvermogen van de student. Deze heeft wel strategieën en handelingsprincipes geleerd, maar moet die toe passen in nieuwe situaties (nieuwe oplossingen voor nieuwe problemen, nieuwe procedures).

Kennis

Kennis wordt opgesplitst in feitelijke en begripsmatige kennis:

De eindtermen zijn voor het merendeel geformuleerd op vaardigheids- en toepassingsniveau. Bij elke vaardigheid is de noodzakelijke voorkennis inbegrepen.


Taxonomiecodes:
P = productieve vaardigheid c = cognitief
R = reproductieve vaardigheid pm = psychomotorisch
B = begripsmatige kennis i = interactief
F = feitelijke kennis r = reactief

Het lezen of toepassen van de taxonomiecodes kan het best verlopen aan de hand van de volgende vragen/beslisregels:

 
  1. Feitelijke kennis? (F) gericht op feiten (f) en op procedures (p)
  2. Begripsmatige kennis (B) gericht op begrippen (b) en op principes (p)
 
  1. Gaat het om een vaardigheid waarbij de afgestudeerde een beroep kan of moet doen op handelingsvoorschriften, standaardprocedures, protocollen? (R)
  2. Gaat het om een vaardigheid waarbij de afgestudeerde geen beroep kan doen op handelingsvoorschriften, standaardprocedures, protocollen, maar zelf een toepassing moet bedenken, op basis van geleerde principes en strategieën? (P)
Waarop ligt het accent in de eindterm?

NB De taxonomiecodes zijn in dit bestand niet opgenomen